Daarna
vond hij zijn weg in de Hogere Sint-Lucasschool en volgde er een
doorgedreven architectenopleiding in de 'neogotische traditie' van J.B. Béthune.
Volgens de archieven van de Sint-Lucascommuniteit te Gent, was hij één van
de briljantste studenten en behaalde hij in 1889 ' De
Grote Prijs voor Architectuur'. Door de goede contacten die Joris
Helleputte had met Jean Baptiste Béthune, rekruteerde hij
vanaf 1890, uit de Gentse Sint-Lucasscholen, de beste afgestudeerden als
assistenten voor zijn bloeiende architectuurpraktijk, zo kwam ook Joseph
Piscador naar Leuven. Helleputte zelf begon op dat ogenblik (1889) aan
een politieke carriere als katholiek volksvertegenwoordiger en later als
minister van verscheidene regeringen.
Vanaf 1896 ging Joseph François Piscador zijn eigen weg in een
artistiek zoeken naar vernieuwingen en stijlcombinaties. De jonge
architect was zeer intensief bij al zijn ontwerpen betrokken, hij ging
volledig op in al zijn projecten en volgde ze nauwgezet op bij de
uitvoering. Het jonge gezin Joseph Piscador - Hélène Van Aerschodt met
hun twee kinderen Marie en Raoul behoorde tot de gegoede, franssprekende,
katholieke, Leuvense burgerij. Het karakter van deze slanke, donkerharige,
wat kalende jonge man wordt omschreven als "doux, jovial, sensible,
gai, travailleur”- een stille, gevoelige werker en joviale
levensgenieter. Op het ogenblik dat A. Thiéry gedeelten van de
Sint-Gertrudis abdij koopt moet de echtgenote van Piscador, Hélene
een zware heelkundige ingreep ondergaan waardoor ze lichamelijk zwak
blijft en zich niet meer volledig zal kunnen inzetten voor het
huishoudelijk werk.
Kanunnik Thiéry, de man die Piscador groot
maakte bij de bouw van het 'Heilig
Harthuis' in 1902, zal hem, gedurende meerdere jaren tussen 1912
en 1925, de meest bizarre, bijna hallucinante opdrachten geven bij de
renovaties van zijn abdijruïne. Op bepaalde momenten ontstonden er
bovendien erge conflicten met zijn architect omdat Thiéry de plannen in
impulsieve buien deed wijzigen. De kanunnik zal hem tenslotte meesleuren
in het decennialange juridische steekspel tegen iedere denkbare instelling
(de kerkfabriek, de commissie voor monumenten, de Stad Leuven) die
betrokken was bij de heropbouw en herinrichting van de Sint-Geertrui
abdij. De te sterk dominante, imponerende persoonlijkheid en de
juridische overredingskracht van kanunnik Thiéry zouden de gezondheid van
de anders zo opgewekte en rustige architect vanaf 1925 langzaam
ondermijnen en zijn trillende handen zullen nog nauwelijks de fijne,
ingekleurde tekeningen van zijn opdrachtgevers kunnen afwerken. Toch werd J.F.
Piscador wegens zijn verdienste als architect-expert tot voorzitter
verkozen van de 'Vereniging voor architecten van de Leuvense
agglomeratie'.
Op de laatste dag van januari 1928 overlijdt hij op bijna 62-jarige
leeftijd, na een langdurige en pijnlijke ziekte, teruggetrokken op zijn
buitengoed 'Het Puthof' te Wilsele (Putkapel). Hij ligt nu begraven op het
'Groot Kerkhof van de Stad Brussel' te Schaarbeek tesamen met zijn
echtgenote Héléna die hem, ondanks haar zwakke gezondheid, nog vele
jaren zou overleven.
Geschreven door Bjorn Dubois, de oorspronkelijke
versie is van Juveyns Lambert die
een scriptie schreef over Joseph François Piscador.
Deze scriptie werd gepubliceerd door de Geschiedkundige en
Oudheidkundige kring van Leuven.
|